dinsdag 6 augustus 2013

Nonaginta

This is a story I entered in a contest late last year, the Trek Sagae. It didn't do very well; mostly the judges thought it was too confusing. I'm planning on rewriting it at some point but I have so many projects now I put that on hold for a bit. For now, here's the original version. Enjoy and do let me know what you think!

This one is in Dutch once more, sorry about that. I'll make a toy related post soon! :)


Nonaginta
Het is me meteen duidelijk. De stand van zijn ogen, zijn handen begraven in de muur, de tong uit zijn mond en het rode slijm dat via zijn kin op de grond druppelt.
“Sterrenstof.”
“Ja.”
Meer hoeven ze niet te weten. Steve klapt zijn kladblok dicht en begint mensen orders te geven. Ik zie ze om me heen in actie komen, ik hoor ze praten en ik hoor de machines binnen rijden. Het is hetzelfde liedje als altijd en ik weet precies wat mijn taak is.
Maar deze keer is het anders.
Langzaam kom ik omhoog, eventjes streel ik het haar van het slachtoffer. Het is zo zacht, zo'n contrast met de koude huid van zijn wang die ik een fractie van een seconde aanraak. Lang genoeg om te weten dat het voor hem echt over is. Ik weiger in zijn lege ogen te kijken, maar ik weet heel goed hoe rood ze zijn en hoe wijd open ze staan.
De hoeveelste is dit deze maand alleen al? De lichtbruine muur trekt mijn aandacht. Als ik er even overheen veeg komt er wat stof los dat sprankelt in het gele licht van de knipperende oude lamp aan het plafond. Sterrenstof. De grootste moordenaar die we kennen, maar ook de redder van velen.
Ik voel Steves bruine ogen op me nog voor hij naar me toe komt. Hij roept nog iets naar een van de doktoren voor hij naast me staat, zijn handen nu diep in de zakken van zijn zwarte jas, zijn ongeschoren gezicht dicht bij die van mij.
“Tria… Kan je dit wel? Ik kan iemand anders oproepen voor deze. Je hoeft niet…”
“Nee. Natuurlijk kan ik dit. Wie wil je anders op deze zaak zetten dan?” Enigszins verontwaardigd bind ik mijn haar vast in een staart.
“Weet je het zeker? Het is geen moeite.”
“Ja, ik weet het zeker! Ik moet gaan. Ik meld me als ik nieuws heb. Succes met het lichaam.”
Ik negeer de blikken van de mensen met wie ik al zo lang samenwerk. Ik slinger mijn rugzak over mijn schouder en storm naar buiten, het mistige ochtendlicht in. Terwijl ik me naar de trein haast zet ik mijn zonnebril op, net als alle andere mensen hier buiten. Het is een van de kleine ongemakken.
Sterrenstof. Het is overal. De hele stad is ervan gemaakt. De huizen, de auto’s, de treinrails, de gebouwen… Het was allemaal een belofte van eindeloze energie. De prijs was alleen een zonnebril tegen het licht… Zeiden ze. 
Hoog boven me knippert het licht van de bouwvakkers. Weer een nieuwe toren. Ik haast me langs een grauwe vrachtwagen. Ik weet precies wat erin zit en wat ze ermee gaan doen. Stiekem verwacht ik dat er iemand achter me aan komt om me tegen te houden. Dat ze me toch van deze zaak af trekken en me naar de volgende sturen; lang zal het niet duren.
Maar zelfs als ik het treinstation in ren komt er niemand. Ik beweeg me door de mensen heen, maar niemand merkt me op. Zonder uitzondering is iedereen verdiept in zijn eigen wereld; ze praten met onzichtbare mensen of voeren data in op een holografisch scherm. Sommigen luisteren naar klanken die alleen zij kunnen horen en als ik het perron op loop bots ik bijna op iemand wiens leven alleen gezien kan worden door de bril die hij op heeft.
Ze denken allemaal dat ze nu niet meer alleen zijn, dat ze in een betere wereld leven dan dat ze ooit in het echt kunnen maken. En dat allemaal door sterrenstof. Verslaafd aan ongelimiteerde energie, maar allemaal levenloos.
De trein die binnen komt zweven is van hetzelfde type als die we altijd namen. Donkerrood met gouden deuren. Geluidloos komt hij tot stilstand en als een schakel in een motor lopen de mensen naar buiten en naar binnen. Ik stap als laatste in en ga automatisch op de eerste stoel naast de deur zitten, mijn rugzak op schoot.
Als mensen niet zo verloren waren in hun zelf gemaakte universum zouden ze het misschien raar vinden dat ik geen apparaten mee heb. Dat er in mijn rugzak alleen maar papier zit en een pen komt waarschijnlijk niet eens in ze op. Maar voor mij geen sterrenstof.
Onwillekeurig kijk ik naar de lege stoel naast me. Ooit zat hij daar, kon ik in de avond tegen hem aan liggen als ik moe was en we op weg naar huis waren. We speelden spelletjes op een van zijn machines en ik verwonderde me over de mooie groene werelden die hij me er op kon laten zien, zo anders dan de gele grauwe straten van Nonaginta. Het waren allemaal illusies.
De trein is zo stil dat ik het niet eens door heb als hij begint te bewegen. Pas als de gele gebouwen langs me heen bewegen besef ik dat ik op weg ben. Ik zie vrijwel geen mensen over de straten lopen. Voertuigen en machines, dat is alles. De mist is aan het optrekken en ik ben blij dat ik mijn zonnebril op heb. Als je meer dan een dag onbeschermd rondloopt kun je al gezichtsverlies lijden. Een klein ongemak als je het vergelijkt met wat het ons brengt, zo zeggen de reclameborden.
Ik herken de straten waar ik ooit met hem liep. De drukke straat waar we ooit twee uur in de file hebben gestaan omdat er een vrachtwagen was omgekanteld. Hoe hard we lachten, hoe we samen uiteindelijk naar zijn huis liepen omdat we er niet langs konden. Toen hield hij mijn hand nog vast terwijl ik naar de jurkjes in de etalages keek, verlicht met duizenden lichtjes terwijl ze ronddraaiden op de maat van een stuk klassieke muziek dat duizenden jaren geschreven was in een wereld zonder energie.
Mijn mouw begint te trillen en op het ingebouwde display zie ik Steves gezicht verschijnen.
"Ja?" mompel ik.
"Tria, gaat het wel?" Zijn stem trilt een beetje.
"Natuurlijk gaat het! Ik weet eindelijk eens direct waar ik moet beginnen."
Een moment stilte.
"Tria... We hebben nog een zaak. Een jongetje van tien. Het lichaam is al een tijd... We denken dat het zijn ziel is die gisteren voor die ontploffing in die auto zorgde. Het waren zijn oom en tante die daarbij omkwamen. Waarom laat je dit niet over aan een ander en help je ons op die zaak?"
Ik zucht. "Nee, Steve. Je wéét dat ik dit moet doen. Spreek je later."
Nog zonder op een antwoord te wachten hang ik op. Binnen een paar tellen belt hij weer, ik negeer hem. Dit is mijn zaak.
De trein maakt een bocht en ik zie het standbeeld. Het is groot, opzichtig, past helemaal niet in deze stad waarin alles draait om wat niet echt is. De man met het blok, symbool voor zij die voor het eerst sterrenstof ontdekten op een planeet hier ver vandaan. Veel te dicht bij een ster om er te kunnen wonen maar rijk aan het materiaal dat zichzelf door kernfusie energie geeft. Honderden ruimteschepen varen af en aan naar die planeet tegenwoordig, roven haar helemaal leeg om er steden van te bouwen, voertuigen, alles wat maar energie nodig heeft. Het was de oplossing voor alles waar mensen ooit mee zaten. Gebouwen die zelf energie opwekten, voertuigen die je nooit hoefde op te laden, telefoons die nooit uit gingen en voor altijd met elkaar verbonden zijn, waar je ook bent en wat je ook doet. En dat zonder vervuiling! Niemand die toen had bedacht dat de prijs zo hoog was, en nu interesseert ze dat niet meer.
Hij was ooit zo levend. Weekenden de stad uit, weg van alles naar een plek waar je niet alles door een zonnebril hoefde te bekijken. Een dag lang hebben we samen in het gras gelegen, ons verwonderd dat er nog plekken bestaan die echt zo groen zijn. Nu staan daar ook gele gebouwen, natuurlijk, een groot kantorencomplex waar mensen in een veel te stille trein heen gaan. We hebben samen avonden gelachen met een goed glas wijn van een verre planeet, en ik was zo trots toen hij ook bij de academie was aangenomen. Hoe snel hij leerde, hoe blij ik was toen hij in mijn team kwam…
Steve was degene die hem aannam en die hem ook ontsloeg. We werkten samen aan het identificeren van lichamen, aan het vaststellen waar ze aan overleden waren, maar terwijl ik me samen met Steve opwerkte naar speurder bleef hij achter.
De trein rijdt het station binnen en ik sta op. De geluiden van mijn schoenen op de gele vloer galmen door de trein en ik voel me bijna schuldig, maar niemand schijnt het te merken. Samen met nog wat mensen stap ik uit, het grijze donkere station binnen. Donker, grijs; dit is een van de oudste stations en hier is nog niet veel sterrenstof gebruikt. Weinig energie, weinig licht. Niet dat het iemand uit maakt; ze zien het niet eens.
Ik haast me het station uit. Ik liep hier ooit ook, glimlachend en vrolijk. Ik huppelde iedereen voorbij, danste om iedereen heen omdat ik wist dat hij op me wachtte. Ik slinger mijn rugzak op mijn rug terwijl ik langs een kapotte vuilnisbak loop. Ik ken de weg nog.
Het oude deel van de stad is minder geel, maar net als iedereen houd ik mijn bril op. Links, rechts, rechtdoor, weer rechts... Het voelt alsof ik er gister nog liep, maar in werkelijkheid is het al twee jaar geleden. Er is niets veranderd; dezelfde winkels, dezelfde restaurants, dezelfde grijze straten en dezelfde verloren mensen. Het is stil op straat; het weinige verkeer dat langs me raast is zo stil als de trein. Mensen lopen hier niet, dus ik zie niemand behalve de donkere silhouetten achter de autoramen als ze langs me heen razen.
Ik sta even stil als ik voor het restaurant sta. De tafels staan nog op dezelfde plek, maar de kaarsen van sterrenstof zijn uit. Het is donker; er is niemand. We zaten hier, in de hoek aan het raam, met het rode tafelkleed en het gele lichtje tussen ons in. Ik keek naar hem, hij niet naar mij. Verdiept in een wereld gemaakt door enen en nullen, verborgen voor mij. Ik probeerde het hem die avond te vertellen, duidelijk te maken dat hij op deze manier alles zou verliezen.
Ik loop door, ga de steeg in. De deur van het trappenhuis zie ik al aan de andere kant. Iemand heeft hem rood geverfd, iemand samen met mij in een verleden dat al lang geleden ophield te bestaan. Maar om de een of andere reden is de deur nog steeds rood en precies zoals ik dacht is het slot ook nog steeds stuk. Ik rommel een beetje en de deur springt open.
Er is geen licht in de gang. Het verbaast me; ook in dit gebouw loopt alles op sterrenstof. Het gebeurt niet vaak dat er dingen niet meer werken. Zou iemand het uit gedaan hebben? Ik tast me een weg naar boven langs de ruwe stenen. De derde verdieping, eerste deur aan de rechterkant. Er valt wat zwak licht naar binnen door het kleine raam. Ik heb helemaal niet bedacht hoe ik het appartement binnen kan komen, ik heb de sleutel al jaren niet meer.
Maar de deur is open. Alle deuren zijn open. Er woont hier niemand meer, besef ik. Alle buren die ik ooit zo goed kende, alle gezelligheid en alle praatjes op de gang zijn allemaal verdwenen. De deur kraakt als ik hem openduw en ik stap het appartement binnen. De dikke gordijnen zijn gesloten en er stroomt alleen een gouden streepje licht binnen via een kiertje. Ik zet mijn zonnebril af terwijl ik de keuken in loop.
De keuken waar we ooit dansten terwijl we eten klaarmaakte. Waar we ruzie hadden en waar hij zich terug trok met zijn Virtual Reality bril. Waar ik hem vond die avond, compleet onbereikbaar en verdwaald in een niet bestaande realiteit wat hem uiteindelijk alles kostte. Waar we ruzie hadden en waar ik besloot weg te gaan.
Ik val op mijn knieën en het stof springt omhoog. De vloer is nog zoals wij hem achter hadden gelaten; zelfs de gaten zitten er nog in. Littekens van een tijd die nooit heeft bestaan. “Novem...” fluister ik, en ik hoor hem al bewegen. Zijn voetstappen als hij me thee kwam brengen, zijn lach als hij iets zag waarin ik niet kon delen. Zachtjes open ik mijn tas en haal de stolp er uit.
Er mag dan hier niet veel sterrenstof gebruikt zijn, het is genoeg voor hem om zich in te bewegen. Het zit in de draden, in de muren, het zweeft in kleine deeltjes door de lucht. De avond dat ik wist dat hij zichzelf helemaal verloren had in een andere wereld heb ik de deur achter me dicht getrokken en ik ben hier nooit meer terug geweest. Via via hoorde ik dat hij ook vertrokken was, naar de kamer waar hij deze ochtend gevonden werd.
Maar dit is waar ik hem opnieuw ontmoet. Het is een kleine beweging, een ongewone bries, een schittering zonder dat er licht is, en ik weet dat ik gelijk had. Het moet zo pijnlijk zijn geweest toen zijn ziel door het sterrenstof uit zijn lichaam werd gezogen. Ik heb het een keer zien gebeuren. Het meisje was nog geen vijf jaar oud, kon niet meer schreeuwen van de pijn, bloed stroomde uit haar mond terwijl ze langzaam zichzelf verloor tot alleen haar levenloze lichaam overbleef. En dat is hoe hij…
Op mijn tenen loop ik de kamer binnen, kijk ik naar de plek waar ooit onze bank stond, waar we avonden tegen elkaar aan lagen en praatten over alles wat wel echt was en waar sterrenstof nog iets moois was. Een tijd van dromen over een groene toekomst, een tijd van een leven waarin een schittering nog iets was om van te genieten. Het is nu niks meer dan een begraafplaats voor een leven dat ik al lang achter me gelaten heb.
Ik sta naast hem als ik de bodem van de stolp los schroef. Mijn handen voelen leeg als ik denk aan de keer dat hij me vasthield toen ik moest huilen van geluk. Maar nu is hij een onzichtbare energie, in stand gehouden door de reactie in het stof die nooit op zal houden. Eeuwig leven als een verloren ziel.
"Was dit waar je voor het laatst wat voelde?" fluister ik als ik de stolp tegen de muur aan zet. "Was het samen met mij of toen je door had dat ik weg was? Heb je je dat ooit wel eens beseft, Novem?!" De trilling van mijn stem doet hem even bewegen en in een flits beweeg ik de stolp naar hem toe en druk de knop in. 
Als in een vacuüm wordt hij erin gezogen. Het stof draait rond in de stolp, een zacht gezoem en een piep als het rode licht brandt. Ik schroef de deksel er weer op en in minder dan een minuut is het voorbij. Er beweegt nog wat stof in de stolp, een laatste stuiptrekking. Meer kan ik er niet aan zien, maar ik weet dat hij erin zit. “Novem.” zeg ik terwijl ik zijn gezicht voor de laatste keer voor me zie.
"Je bent veilig bij me."
Een uitgewist verleden. Nu is er niks meer van hem over. Ik weet dat ik Steve moet bellen, dat ik hier weer moet vertrekken, dat ik hem moet afstaan en voorgoed de deur dicht moet doen. Maar even, nog heel even, laat ik me terugvoeren naar een avond dat zijn vingers de wereld waren en zijn geur de ruimte.
Een stem ver weg roept mijn naam. Novem? Ik hou de stolp steviger vast, hoop zijn stem te horen.
"Tria."
Een hand op mijn schouder. Ik dwing mezelf naar boven te kijken en staar in die bekende bruine ogen.
"Je bent niet de enige die wist waar je hem kon vinden." Steve glimlacht terwijl hij even door mijn haar strijkt.
Zijn blik glijdt naar het object in mijn armen en ik druk de stolp wat dichter tegen me aan. Ik heb de machinekamer gezien, waarin zielen omgevormd worden tot energie wat het stof verder opvoert, zodat het niet alleen oneindig energie geeft maar ook krachtiger is dan het normale stof. Dit speciale stof, waar niemand van weet en wat niet lijkt te bestaan... Het heeft maar een doel; het in stand houden van de netwerken waar steeds meer mensen zich in verliezen. Novems ziel zal uit elkaar worden getrokken, verscheurd totdat hij nooit meer zal rusten.
"Nee."
"Tria... Je kent de regels. Een verloren ziel is een gevaar en ze zijn n..."
"Nee! Niet hem! Niet Novem! We hadden zo veel en ik ben hem al kwijt en..."
"Tria!" Steve's stem trilt, ik zie hem beven als hij zijn hand naar me uitsteekt.
"Ik hield van hem!" Een stap terug, mijn rug tegen de muur.
"Verlies je emoties niet aan het stof, Tria! Je weet wat er dan gebeurt. Blijf hier. Blijf bij mij."
Is dit hoe het voelt? Mijn borst doet zeer. Ik probeer te ademen, maar ik proef alleen maar bloed. Ik probeer Steve aan te kijken maar ik zie alleen een vlek die dichterbij komt. Een tinteling op mijn arm en mijn rug wordt van de muur afgetrokken. Ik hoor een schreeuw, de tinteling wordt een omhelzing.
Ik hoor een geluid en de stolp ligt op de grond. Lucht stroomt mijn longen in en ik begin te hoesten. Mijn handen voor mijn mond worden rood.
Steve's stem klinkt ver weg. "We kunnen jou niet ook kwijt raken, Tria..."

Uiteindelijk zullen we allemaal zielloos zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen